Het EVRM is cruciaal

Het interessante stuk van Thierry Baudet in NRC Handelsblad van 13 november over het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en het bijbehorende Hof is een teken van een tijd waarin alles dat Europees en internationaal is wantrouwig wordt bezien. Met een beroep op nationale soevereiniteit en cultuur wordt geprobeerd deze duistere invloeden zoveel mogelijk buiten te sluiten. En dat is jammer, want met name het EVRM is van onschatbare waarde, niet alleen voor Nederland, maar ook voor de ontwikkeling van de rechtsstaat elders in Europa. Helaas geeft Baudet een volledig verkeerd beeld van de werkelijkheid van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Feitelijk en historisch gezien had hij moeten vermelden dat het EVRM voortkomt uit de Raad van Europa. Daar zijn bijvoorbeeld ook Rusland en Turkije lid van, dus het is ook een veeg teken dat Baudet deze landen als niet-Europees beschouwd. Door te stellen dat het EVRM slechts van pas zou moeten komen bij genocide en dergelijke misdrijven, miskent hij tevens dat het EVRM juist is opgesteld om deze te voorkomen door misstanden al eerder aan te pakken.

Eén van de beweringen en conclusies die tegengesproken moeten worden heeft betrekking op het gebrek aan ruimte die er voor nationale diversiteit zou bestaan. Dat het Hof geen ruimte zou bieden voor de verschillende culturele en maatschappelijke omstandigheden van elke Staat die partij is bij het EVRM en slechts toetst aan de eigen opvattingen is simpelweg niet waar. Volgens vaste jurisprudentie, heeft elke Staat bij de meeste rechten in het EVRM een zogenaamde ‘margin of appreciation’ om zelf te bepalen of een beperking van een recht noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het Hof redeneert juist dat de Staat in principe zelf het beste in staat is om te beoordelen of iets noodzakelijk is in de eigen maatschappij, of niet. Dat daar een ondergrens aan zit is niet meer dan logisch, want anders zou het Europees geformuleerde recht niets inhouden. Mag dan gesteld worden dat Baudet zijn EVRM eigenlijk helemaal niet kent? Misschien wel, want met het voorbeeld van ‘het recht op leven’ dat hij hanteert in een poging aan te geven hoever het Hof misschien zou kunnen gaan, lijkt de plank toch flink misgeslagen te worden. Zo beweert hij dat op basis van dit recht die vervelende buitenlandse rechters weleens zouden kunnen bepalen of er wel of niet een recht op abortus of euthanasie bestaat. In de jurisprudentie beperkt het Hof slechts de eerdergenoemde ‘margin of appreciation’ als er oa sprake is van een Europese consensus over een bepaalde norm. In bijvoorbeeld Vo v. Frankrijk oordeelde het Hof nu juist dat er geen Europese consensus bestaat over het antwoord op de vraag of een ongeboren kind ‘leven’ is of niet, met alle implicaties van dien voor de toepasselijkheid voor het ‘recht op leven’. In Pretty v. UK liet het Hof het ook aan de Verenigd Koninkrijk om te bepalen of de strafbaarstelling van euthanasie noodzakelijk was in de Britse samenleving. Dat het VK dit inderdaad strafbaar stelde, in tegenstelling tot een aantal andere Europese landen, was aan het VK om te beslissen.

Een verwarring van de verschillende mensenrechtentypes is er bij Baudet ook ingeslopen. Hij suggereert dat onder het recht op leven ook een recht op (gratis) gezondheidszorg zou rijzen, of huisvesting. Deze vallen echter onder de categorie economische, sociale en culturele rechten die niet in het EVRM staan, en het klassieke burgerlijke recht op leven zal dan ook niet zodanig geïnterpreteerd worden. Daarnaast zijn die economische, sociale en culturele rechten nog eens in andere verdragen op een geheel andere wijze geformuleerd, namelijk als inspanningsverplichtingen en niet als resultaatsverplichtingen. Baudet voornaamste argument is het bestaan van een democratisch deficit. Het Hof is niet democratisch gekozen, staat niet onder controle van een democratisch orgaan, en overruled democratisch tot stand gekomen wetgeving. Op zich een zeer valide punt, maar dit punt lijkt slechts te verhullen de antipathie tegen grondrechten/mensenrechten in het algemeen, terwijl dit toch niet slechts juridische obstakels zijn voor de overheid, maar ook morele piketpaaltjes en waarden die we na streven voor iedereen. Grondrechten moeten volgens Baudet slechts een handleiding zijn voor de wetgever, en gaat daarbij voorbij aan het feit dat de wetgever in ieder geval in een democratische samenleving altijd een evenwichtige afweging moet maken tussen het individuele en algemene belang. Het individu is hier te lande het uitgangspunt. Hoe zou die anders dan door de verplichte eerbiediging van individuele grondrechten door de wetgever moeten worden beschermd?

Dat Baudet dit stuk schrijft in het kader van de Nacht van de Rechtsstaat is des te schrijnender omdat deze rechten het fundament vormen voor de rechtsstaat en een noodzakelijke voorwaarde zijn voor een goed functionerende democratie. In landen waar de rechtsstaat onder druk staat of nog onderontwikkeld is, komt het EVRM juist als geroepen om die rechtsstaat te ondersteunen. Het is dan ook paradoxaal dat Baudet blijkbaar wel vindt dat deze grondrechten universeel zijn, maar dat exclusief de staten zelf kunnen besluiten hoe die grondrechten verwezenlijkt dan wel gerespecteerd moeten worden. Juist diegenen die de rechtsstaat een warm hart toedragen niet alleen in Nederland maar in geheel Europa zouden het EVRM van harte moeten steunen.